Met een paar tips en een dosis degelijk, ouderwets gezond verstand kan zowat iedereen het terrein op in een 4x4 van Jeep®.
Controleer altijd jouw wagen voor je het terrein op gaat. Zorg ervoor dat de accu goed vastzit, dat alle leidingen en slangen in goede staat zijn en dat olie en vloeistoffen, ook de brandstof, op peil zijn. Controleer bovendien of de vier banden in goede staat zijn en dat de bandenspanning correct is. Trek er bij voorkeur niet alleen op uit, vooral als je het gebied niet kent.
Schakel op het terrein de vierwielaandrijving in telkens wanneer je verwacht de extra tractie nodig te zullen hebben. Het is moeilijk de vierwielaandrijving nog in te schakelen wanneer je al bent vastgereden. Het is ook een goed idee de gewoonte aan te nemen om over de motorkap en altijd zowel naar links als naar rechts te kijken, zodat je goed kunt zien wat er aankomt. Als je enkel de linkerband in de gaten houdt, is het risico groot dat de rechterband in de problemen geraakt. Steek jouw hoofd bij voorkeur niet uit de wagen om te zien wat er aankomt (daarvoor heeft de Wrangler zijn neerklapbare voorruit). Veel terreinspecialisten raden ook aan de duimen op ruw terrein naar boven en uit de buurt van de stuurwielspaken te houden. Als een band plots van een rots schuift bijvoorbeeld, kan het stuur namelijk een snelle draaibeweging maken. Zit jouw duim dan achter een spaak, dan kan dat pijn doen. Wel is het zo dat bij wagens met stuurbekrachtiging, zoals alle wagens van Jeep®, het risico dat het stuur plots verdraait, over het algemeen kleiner is.
Snelheid en veel gas geven zijn niet nodig op ruw terrein. In de korte versnellingen van de vierwielaandrijving volstaan de korte overbrengingsverhouding en de lage snelheid van een Jeep® bij stationair toerental over het algemeen om over een hindernis te geraken. In veel gevallen is het gewoon het beste om bij een wagen met manuele versnellingsbak de koppeling langzaam te laten opkomen en de wagen in de laagste versnelling over hindernissen te laten kruipen. Op het Rubicon Trail is de gemiddelde snelheid trouwens amper 2 tot 8 km/u.
Als er sneeuw of modder ligt, is het meestal het juiste moment om jouw vierwielaandrijving in te schakelen. Heb je een permanent systeem zoals de Quadra-Trac I®, dan hoef je helemaal niets te doen. In diepe sneeuw, wanneer je een aanhangwagen trekt, of voor extra controle tegen lage snelheid, zet je de versnellingsbak in een lage versnelling en schakelt je indien nodig de tussenbak naar de korte versnellingen (4WD-LOW). (Quadra-Trac I en Quadra-Trac® SRT® hebben geen korte versnellingen.) Schakel niet naar een versnelling die kleiner is dan echt nodig om in beweging te blijven. Als je de motor te hoog in de toeren laat klimmen, kunnen de wielen gaan doorslippen en verliest je tractie. Wanneer je in sneeuw of modder tractie begint te verliezen, draait je het stuur snel heen en weer. Over het algemeen helpt je zo de wielen zich weer vast te bijten waardoor ze je erdoor kunnen trekken. Hebt je geen tractie meer, STOP dan. Doordraaiende wielen graven je alleen nog maar dieper in. Het komt erop aan altijd in beweging te blijven.
Voor een betere tractie in zand verlaagt je de normale spanning van klassieke banden met 0,7-0,8 bar (breng ze achteraf wel weer op de normale spanning). Probeer met de hoge versnellingen van de vierwielaandrijving in beweging te blijven. Afhankelijk van de aard van het zand kan het nodig zijn de korte versnellingen en een andere versnelling in te schakelen. Probeer bochten ook groter te nemen als dat enigszins mogelijk is. Als je een bocht kort neemt, kan de Jeep® vertragen en kunt je vast komen te zitten. Ook hier komt het er weer op aan altijd in beweging te blijven.
Op hellingen rijdt je ALTIJD recht naar boven of naar beneden. Het is ook verstandig om al te weten wat er zich aan de andere kant bevindt, vooraleer je naar boven rijdt. Aan de voet van de helling gebruikt je meer vermogen. Neem vermogen terug wanneer je de top nadert en voor je over de top rijdt. Valt je stil tijdens het naar boven rijden, dan rijdt je recht de helling weer naar beneden in de achteruitversnelling. Wanneer je naar beneden rijdt langs een helling, schakelt je in een Jeep® manuele versnellingsbak altijd de laagste versnelling in. Als je in de korte versnellingen een helling afrijdt, ontkoppelt je niet en laat je de motor stationair draaien. Anders kan de koppelingsschijf ernstig beschadigd raken. Laat de versnellingen en de motor jouw snelheid afremmen. Gebruik de remmen enkel om indien nodig de rijsnelheid iets bij te stellen. Is de Jeep® uitgerust met een automatische versnellingsbak, dan gebruikt je de korte versnellingen en de laagste stand van de versnellingsbak. OPMERKING: rij NOOIT schuin een helling op. Als de helling zeer steil is en je niet zeker bent dat je of jouw wagen in staat zijn boven te geraken, rijdt je de helling niet op. Rij nooit dwars over een steile helling, want dat kan de wagen onstabiel maken. Offroaden kan best lastig zijn. Denk eraan: rij zo traag mogelijk. Gebruik jouw gezond verstand en veiligheid moet altijd op de eerste plaats komen.
Over rotsen "kruipt" men, en dat doet men dus traag. Wanneer je over hindernissen als rotsen of boomstronken rijdt, schakel je een lage versnelling in van de korte versnellingsbak en laat de Jeep® gewoon voortkruipen (met zo weinig mogelijk gas). Rij nooit schrijlings over rotsen. Een Jeep® bodemvrijheid van 25 cm geraakt niet over een rots die 30 cm hoog is! Plaats het wiel zo dat het over het hoogste punt van de rots gaat en rij er traag overheen. Panikeer niet als je schraapgeluiden hoort. De skid plates en rock rails van jouw Jeep® 4x4 (afhankelijk van het Jeep-model en de gekozen uitrusting) zijn er om het ergste te incasseren. De bandenspanning met 0,2-0,3 bar verlagen, verbetert de tractie en helpt lekke banden te vermijden (breng ze achteraf wel weer op de normale spanning). Denk eraan: de ideale rijsnelheid voor rotsen is 2 à 5 km/u.
Volg de instructies op de borden en blijf op de parcours en in de recreatiezones waar offroadrijden is toegestaan. Gebruik jouw gezond verstand en draag zorg voor de pracht en afgeslotenheid van het gebied. Laat niets achter. Of beter nog: raap afval dat anderen hebben weggegooid, op en neem het mee. En kies een andere route als een gebied er bijzonder kwetsbaar uitziet. Voor meer informatie, klikt je hier. Laat alles in een betere staat achter dan toen je aankwam.